De architectenfamilie Jaminé
Gedurende bijna een eeuw werd het uitzicht van de publieke bouwwerken in de provincie Limburg bepaald door één familie. Van vader op zoon oefenden Lambert, Herman en Léon Jaminé de functie van provinciaal architect uit. Gedurende drie generaties gaven de Jaminés mee vorm aan het bouwen door lokale overheden, door kerkfabrieken en door de provincie zelf. Tussen 1835 en 1921 traden zij niet enkel als inspecteurs op, maar ook als adviseurs en ontwerpers en bepaalden ze het Limburgse architecturale landschap. Hun activiteit was én is nog steeds bepalend voor het uitzicht van vele pleinen en straten in verscheidene Limburgse steden en gemeentes.
De functie van de provinciale architect
Het statuut van de provinciale architect vindt haar oorsprong in het Franse ambtenarenapparaat. Vanaf het einde van de 18e eeuw werden alle openbare bouwprojecten onderworpen aan controle door de nationale overheid. Ambtenaren-architecten hielden toezicht op de uitvoering van werken aan verkeers- en waterwegen. In het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden bleef de functie bestaan binnen het kader van het Corps van de Waterstaat en de Publieke Werken.
In 1819 werd beslist een deel van de bevoegdheden over te hevelen naar het provinciaal niveau en bouwde elke provincie een eigen technische dienst uit. Eveneens belangrijk voor de verdere ontwikkeling was het Koninklijk Besluit van 16 augustus 1824. Dit verplichtte de goedkeuring van werken aan kerkgebouwen en het toezicht op het legitiem gebruik van toelagen: “Zonder daartoe alvorens Onze toestemming te hebben verkregen, zal het niet geoorloofd zijn, om nieuwe kerken of gebouwen, tot de oefening van den openbare eeredienst bestemd, te stichten of te bouwen, noch om de reeds bestaande te herbouwen of aan dezelve eene veranderende inrigting te geven; maar zullen de Kerkbesturen zich enkel moeten bepalen tot de werken van noodzakelijk onderhoud die de instandhouding der gebouwen mogt vorderen”.
Lambert Jaminé
De levensloop en carrière van de Jaminés zijn ingebed in de ontwikkeling van de provincie Limburg tussen 1800 en 1921. De veranderende politieke context aangestuurd door de Belgische onafhankelijkheid was bepalend voor de carrière van Lambert Jaminé.
De familie Jaminé was oorspronkelijk afkomstig van Maastricht. De Jaminés waren schrijnwerkers en Lambert Jaminé kreeg zijn opleiding hoogstwaarschijnlijk in de atelier van zijn vader en grootvader. Zijn broer Joseph Laurent Jaminé was een spilfiguur in de Belgische onafhankelijkheid en de organisatie van het Limburgs provinciebestuur na 1830. In 1832 trad Lambert als conducteur in dienst bij de Belgische Waterstaat. Met de steun van zijn broer trad hij in 1838 officieel in dienst als provinciaal architect.
In andere provincies ging een reglement de benoeming van de provinciale bouwmeesters-ontwerpers vooraf, maar in Limburg werd Lambert Jaminé aangesteld zonder voorafgaande reglementering. De architect beschikte daardoor over een grote vrijheid. De opdracht van Lambert Jaminé was aanvankelijk tweeledig. Naast het ontwerpen voor de provincie en de gemeentelijke instanties controleerde hij de gesubsidieerde bouwdossiers en hield hij toezicht op de uitvoering van de werken. Pas in 1862 omschreef een reglement de precieze bevoegdheden van de Limburgse provinciale architect. Dit bevatte onder meer een ontwerpverbod. Dit gold echter niet voor zoon Herman, die op dat moment nog provinciale onderarchitect was.
Tussen 1835 en 1855 realiseerde Lambert Jaminé verspreid over de provincie verschillende bouwwerken in een neoclassicistisch geïnspireerde architectuur. Voor kerken, pastorijen, scholen en andere gemeentelijke gebouwen werden omwille van economische redenen gestandaardiseerde plannen ontwikkeld. Omwille van het ontstaan van deze bouwwerken in de context van de Waterstaat is de term Waterstaatsarchitectuur gebruikelijk.
Herman Jaminé
Begrippen als monumentenzorg of restauratie waren Lambert Jaminé onbekend, laat staan dat hij de principes ervan toepaste. Het tegengestelde gold voor zoon en opvolger Herman Jaminé. Hij profileerde zich als architectuurhistoricus en 'architecte-archéologue'. Zijn sterke interesse in de archeologie en de geschiedenis van de architectuur maakten van hem een spilfiguur in de ontwikkeling van de Limburgse monumentenzorg, onder meer als lid van het Provinciaal Comité van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Belangrijk is wel dat de 19e-eeuwse opvattingen over monumentenzorg en restauratie sterk verschilden van de huidige.
Vanaf het moment dat Herman Jaminé de functie van provinciaal architect bekleedde, moest hij zich schikken naar het bovenvermelde provinciaal reglement van 1862 en mocht hij in principe niet langer ontwerpen, een vrijheid die hij als provinciaal onderarchitect wel had (én een belangrijke bron van inkomsten). Bij zijn benoeming in 1867 werd er echter een achterpoortje ingebouwd, waardoor hij plannen en bestekken voor lokale besturen kon blijven opmaken. De reglementering van 1869 verleende Herman zelfs de vrijheid een privé-praktijk uit te bouwen. Als gevolg van een algemene golf van kritiek werd vanaf de jaren 1880 de provinciale reglementering strikter toegepast en liet Herman Jaminé op zijn beurt het ontwerpen over aan zoon Léon Jaminé, die een privé-praktijk had.
In de periode tussen 1855 en 1885 stond het historisch patrimonium centraal. Herman Jaminé was sterk geïnteresseerd in de middeleeuwse architectuur en wat de nieuwbouw van kerken betreft verliet hij de neoclassicistische stijl van zijn vader in het voordeel van een neomiddeleeuwse stijl. Twee invloeden zijn te onderscheiden in zijn oeuvre. Enerzijds waren de ontwerpen beïnvloed door de romaanse architectuur. In de 19e eeuw gaf men aan deze stijl de naam rondbogenstijl, momenteel wordt wordt de term neoromaans gebruikt. De tweede stijl kan als neogotisch getypeerd worden. Inspiratie haalde Herman uit de eigentijdse architectuurhistorische overzichten en zijn empirische kennis van het patrimonium, opgedaan in de restauratiepraktijk.
Ook restauraties van kerken gebeurden in een neogotische of neoromaanse vormentaal. Onder meer de gotische kerk van Opitter werd tussen 1864 en 1879 door Herman Jaminé gerestaureerd. Het begrip 'restauratie' werd trouwens door Herman Jaminé zeer ruim geïnterpreteerd: “een monument restaureren is niet enkel zijn verval voorkomen of stoppen; het is het behouden in zijn zuiverheid en zijn integriteit: daarvoor moeten er reconstructies in de oorspronkelijke stijl plaatsvinden met de historische of symbolische details en vooral met het gebruik van dezelfde materialen”.
Waar bij de nieuwbouw een mix van stijlen geen zeldzaamheid was, lag de nadruk bij het restaureren op het herstellen van de zogezegd oorspronkelijke eenheid van stijl. Het te restaureren gebouw moest in zijn oorspronkelijke stijlzuiverheid hersteld worden. Eventuele vroegere ingrepen die niet aansloten bij de oorspronkelijke stijl werden verwijderd. Er werd veel aandacht besteed aan het gebruiken van originele materialen, zoals de Maaslandse baksteen, Naamse blauwe steen of mergelsteen, eerder dan aan het bewaren van de originele elementen. Daarbij konden deze laatste vervangen worden door nieuwe elementen in zoverre die in dezelfde stijl gecreëerd werden als de oorspronkelijke. Bij restauraties en vergrotingen werd kortom creatief ingegrepen.
Léon Jaminé
Provinciaal architect Léon Jaminé trad vanaf 1885 sporadisch op als ontwerper, wat hem echter in 1892 volledig verboden werd. De 'architecte-auteur des plan et dirigeant la construction' evolueerde naar een zuivere 'architecte-inspecteur' of 'consultant'. Het belang van Léon Jaminé voor het bouwen in de provincie Limburg ligt dus eerder op het vlak van de ontwerpbegeleiding en uitvoeringscontrole. De Koninklijke Commissie voor Monumenten kende bovendien in de provinciale architect een geducht medestander in het behoud van het historisch patrimonium in Limburg én het toevoegen van een eigentijds hoogwaardig architectuurbestand. Léon Jaminé bleef zijn invloed uitoefenen op het Limburgse bouwen tot 1921. In Bree was hij onder meer verantwoordelijk voor de restauratie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Gerdingen en de Sint-Michielskerk.
Het oeuvre van Léon Jaminé kunnen we kaderen binnen bredere maatschappelijke ontwikkelingen veroorzaakt door de industrialisatie van het noorden en het midden van de provincie Limburg. De gevolgen van de introductie van onder meer de chemische industrie en de steenkoolnijverheid waren verscheiden: demografische, economisch, sociaal en cultureel. We denken onder meer aan een sterke bevolkingsgroei, mentaliteitswijzigingen en de ontsluiting van geïsoleerde regio's door nieuwe wegen.
Léon Jaminé was actief binnen de christen-democratische beweging. Kernwoorden hier zijn de schoolstrijd van 1879 en het ultramontanisme. In 1895 werd hij in Hasselt verkozen tot raadslid. Hij nam actief deel aan congressen van de katholieke partij en had goede contacten met onder meer Joris Helleputte. Als fervent voorstander van het corporatistisch ideaal richtte Jaminé in Hasselt het Werkmanshuis en de n.v. Werkhuizen met de Vakschool op. Als directeur van de Hasseltse tekenacademie en nijverheidsschool ijverde hij voor het “verheffende werkliedenonderwijs”. Leon Jaminé zou vooral op het brede maatschappelijke vlak een wezenlijke rol spelen in Limburg. Zijn architecturale realisaties waren minder doorslaggevend.
Zoals zijn vader en voorganger profileerde ook Léon Jaminé zich als architectuurtheoreticus. Maar in tegenstelling tot Herman Jaminé was zijn interesse niet historisch geïnspireerd. De ontwikkeling van de diverse stijlen interesseerde hem minder dan de esthetische en formele grondbeginselen van de middeleeuwse kunst. In Léon Jaminés oeuvre stond de middeleeuws geïnspireerde neogotiek als Limburgse katholieke huisstijl centraal.
De architectuur stond in dienste van het geloof, de maatschappij en het onderwijs. Onder meer de plannen voor de mijncité Leopold II in As kunnen deze context geplaatst worden. Tienduizenden arbeiders moesten na de ontdekking van steenkool en de opstart van de steenkoolnijverheid op een gezonde en zedige wijze gehuisvest worden. Léon Jaminé speelde een belangrijke rol in het vooronderzoek én de provinciale regelgeving voor de nieuwe tuinwijken (cité jardin).
Bibliografie
Meul, V. en W. Jaminé, Van Waterstaatskerk tot mijncité. Een historiek van het bouwen in Limburg door drie generaties provinciale bouwmeesters Jaminé (1832-1921).
