Zorg in Bree door de eeuwen heen
Elke Breeënaar was opgenomen in een sociaal milieu, waarin hij kon rekenen op solidariteit en bescherming: de familie. De familie was het belangrijkste milieu: de eigen haard waar hij kon wonen, zich kon voeden, zich kon verwarmen, zich kon kleden, de familie waarborgde ‘haard en gebraad’. Daarnaast was er de openbare weldadigheid, opgericht en in stand gehouden door de stad en de parochie (stadsmagistraat en rooms-katholieke geestelijkheid):
- Het Gasthuis in de Opitterstraat. Hier werden de arme zieken en ouderen verzorgd.
- De Armentafel: zieken, behoeftigen werden ook uitbesteed, kregen onderdak, waar ze kost en drank, (mee aan tafel,) vuur en licht, was en oppas kregen.
- De Heilige Geesttafel:
verzorgde de huisarmen.
Heilige Geest: door hun gebrek, hun lijden en ontbering waren de armen reeds aan het aardse onthecht. Zo konden ze bemiddelaars worden tussen de wereld en God, want geven aan de armen was geven aan God.
Het Lazarushuis
Omdat melaatsheid een besmettelijke ziekte was, werden melaatsen ter verzorging afgezonderd buiten de stad: het “laesershuys” lag aan de Wiekersbeek. Sprekend voor de houding tegenover de melaatsen is het verhaal van een van de beroemdste helden uit een middeleeuwse roman. Daarin wordt Isolde, de vrouw van koning Marke, verdacht van ontrouw, tot de brandstapel veroordeeld:
Daar kwamen honderd verminkte melaatsen, met half-weggevreten en vaal-wit vlees, aansnellen op hun krukken, onder het geratel der lazaruskleppen; ze verdrongen zich rond de brandstapel en hun rooddoorlopen ogen onder gezwollen oogleden genoten van het schouwspel. Yvain, de afzichtelijkste der zieken, riep met schelle stem:
‘Heer, gij wilt uw vrouw in de brandende houtmijt werpen: de boete is goed, maar te kort van duur. Het grote vuur zal haar snel verbrand hebben. En wanneer straks de vlam valt, zal haar lijden ten einde zijn. Zal ik u een zwaardere straf noemen, een straf die haar doet leven, maar in de grootste schande, die haar dagelijks doet verlangen naar de dood ?’
De koning antwoordde: ‘Ja’.
De melaatse zegde: ‘Heer, zie, ik heb hier rondom mij honderd makkers. Geef ons Isolde, opdat zij ons allen toebehore! De ziekte wakkert in ons de begeerte aan. Geef haar aan uw melaatsen en nooit zal een koningsvrouw zwaarder dood gestorven zijn. Zie onze lompen zijn vastgekleefd aan onze etterende wonden.
Als zij moet rondkruipen in onze ellendige krotten en met ons moet slapen, dan zal de schone Isolde, haar zonden inzien en met verlangen zal zij terugdenken aan dit schone takkenvuur.’
Isolde gilt: ‘Ontferming, Heer, laat mij liever verbranden!’
In de Sint-Antoniuskapel, aan de Opitterpoort, stonden de beelden van de pestheiligen.
De oudste pestordonnantie van de stad Bree dateert van 1518 en zet de bevolking aan tot biechten, bekering en penitentie en ordonneert daar waar de pest in huis is, deuren en vensters dicht te houden. In vroegere tijden werden in Bree varkens gekweekt, ten voordele van de armen van St.-Antonius. Zij hadden het voorrecht op straat hun kost te zoeken en droegen de vleiende naam ‘Heilige verkens’.
De stadsdokter (stadschirurgijn)
De stad sloot meermaals een overeenkomst met een dokter: Laurentiis Blies (1651) was vrij van wacht,, accijns en schatting, maar hij moest alle arme ‘kranken’ bezoeken, welke hem door de magistraat werden aangewezen. Als hij goed zijn werk doet, wordt hem zijn ‘borgerschap’ (50gl en 2 leren emmers) ook kosteloos verstrekt.
De vroedvrouw – wi-jsvruiw
Zo krijgt ene Aecht Gerarts in 1598 van de stad 15 gl voor het huren van een kamer en kolen ‘voor haeren brandt’.
Tijdens de bevalling zat de barende op een baarstoel, of op een matras in de bedstede.
De Kluis van Mariëndal te Beek
In ’t Schoot onder Beek hadden broeders-eremieten in 1741 het Joostengoed aangekocht en er een klooster uitgebouwd, waar voor de verpleging van zwakzinnigen een twintigtal kamertjes ter beschikking stonden. In 1797 (Franse Revolutie) kregen de broeders bevel hun tehuis te verlaten. Op dat ogenblik werden er 9 zieken verzorgd.
De armenzorg in de Franse tijd (einde 18e eeuw)
De Franse revolutie schafte de private liefdadigheid af en verklaarde dat de bijstand aan behoeftigen ‘een van de heiligste plichten van de natie was’. Zij organiseerde de hospices civils. Deze ‘burgerlijke armenhuizen’ moesten behoeftige zieken, gebrekkigen, bejaarden en verlaten kinderen onderdak verlenen. De armen waren er dus intern. Er was ook de oprichting van de bureaux de bienfaisance, die de behoeftigen thuis moesten ondersteunen. We mogen aannemen dat de openbare onderstand gedesorganiseerd was. Een gasthuis, zelfs voor dringende gevallen, ontbrak.
Kenschetsend is het geval Leysen. Jaak Leysen, een schoenmaker uit Bree, gehuwd en vader van 7 kinderen, leed aan epilepsie. Een aanval van die ziekte ging gewoonlijk gepaard met hevige woedeuitbarstingen. Leysen wilde dan zichzelf, zijn vrouw en kinderen van het leven beroven en zijn huis in brand steken. Hij werd dan thuis aan een ketting gelegd. Zijn familie was te arm om zijn onderhoud elders te betalen. Maastricht stelde voor Leysen in een gesticht te Maastricht onder te brengen, maar de kosten zouden ten laste vallen van de gemeente.
Bronnen
- SF Maes en J. Dreesen: De geschiedenis van Bree, I en II. Bree, 1984
- Henri Peeters: Het kanton Bree tijdens de Franse revolutie.1985
- Joseph Rédier: Tristan, Isolde. Antwerpen, 1964
- www.20eeuwennederland.nl
- www.musee-assurance-maladie.com
- http://artfiles.art.com/images
- Bree, zoals het vroeger was, VVV Bree, 1994
Met dank aan Denis Truyen.
