Haardplaat

Waarschijnlijk is deze haardplaat slechts een deel van een gietijzeren drieluik dat tegen de achterwand van de haard stond. In de zijkanten zijn namelijk aan weerszijden twee rechthoekige uitsparingen waar vermoedelijk scharnieren zaten. Op de plaat staan bijbelse taferelen uit het Nieuwe Testament.

Vermoedelijk werd deze plaat gegoten in één van de Luikse productiecentra zoals Ciney (later vooral bekend van de kachels).

  • afmetingen: 90 x 28 cm
  • datering: 18de eeuw

Gietijzer werd in China al vanaf de 1e eeuw v.Chr. geproduceerd. Dit was mogelijk door een goede blaasbalgconstructie die hoge temperaturen mogelijk maakte. Voor de productie van smeedijzer waren niet zo'n hoge temperaturen nodig. Het ijzer werd door reductie aan het erts onttrokken zonder te smelten. In de Middeleeuwen werden de met houtskool gestookte ovens langzaam groter. Bovendien schakelde men vaak over op door waterkracht aangedreven blaasbalgen. Hierdoor werd de temperatuur soms zo hoog dat het ijzer smolt. Dit leverde een aanvankelijk onhandelbaar materiaal op, totdat men in de 14e eeuw, in het Duitse Rijnland, op het idee kwam het gesmolten ijzer in vormen te gieten. Tegen het einde van de 16e eeuw was men in staat een goede kwaliteit gietijzer te produceren in speciale hoogovens. Het werd veel gebruikt voor het maken van wapens, vooral kanonnen.

Het toenemen van de ijzerindustrie was een van de vele oorzaken van de grote tekorten aan hout, vooral in de Nederlanden en Engeland. Een oplossing was het gaan gebruiken van steenkool. Dit werd al sinds de Romeinse tijd op kleine schaal gedolven, hoofdzakelijk in dagbouw. In de 16e eeuw nam de productie enorm toe. In de zeventig jaar tussen 1564 en 1634 verveertienvoudigde (!) de hoeveelheden steenkool die jaarlijks in het Engelse Newcastle verscheept werden tot bijna een half miljoen ton. De apparatuur om op grote diepten te kunnen delven werd overgenomen uit de ertsmijnen. De gebieden met steenkoolmijnen werden in de komende 400 jaren de belangrijkste centra van industrie. Daarnaast werden Zweden en Rusland, waar men over ruime hoeveelheden hout kon beschikken, belangrijke productiecentra van ijzer.