Munt: Philips V – Koning van Spanje en de Indiën

  • materiaal: koper
  • diameter:  24,30 mm
  • dikte: 1,05 mm
  • gewicht:
  • datering: 1710
  • vindplaats:
    • Bree, Klooster O.-L.-V.-ter-Riviere, Sector II sleuf 2
    • vlak naast de straat op gelijke hoogte met het straatniveau, ca 50 cm onder het maaiveld
    • bodem: grijs zwarte aarde met baksteenresten, veldkeien, aardewerk

NAM.5: oord.(GH.372.3a - AvK.140)

Voorzijde

Gekroond vuurijzer omgeven door drie wapenschildjes met hierin de wapens van Oostenrijk, Bourgondië en Brabant.

PHIL. V. D.G. HISPANIAR. ET. INDIARVM. REX (of variant)

Voluit: Philippus V Dei gratia Hispaniarum et Indiarum rex (Philips, bij Gods gratie koning van Spanje en de Indiën).

Keerzijde

Gekroond Spaans wapenschild in meerdere vlakken verdeeld.

 Aan weerszijden van de kroon staan de cijfers van het jaartal.

DVX. BVRGVND. BRABAN. .

Voluit: dux Burgundie et Brabant (hertog van Bourgondië en Brabant).

Europees genootschap voor munt- en penningkunde vzw

Driemaandelijks tijdschrift - 2 - april 1994

Verantwoordelijke uitgever : H. VANHOUDT, Belsenakestraat 20, 3020 HERENT Afgifte Kantoor Wetteren 1

Oord van Philips V (1700-1712) geslagen te Namen

Vz: Gekroond vuurijzer tussen drie schildjes: Oostenrijk, Brabant en Oud- Bourgondië; er rond, (leeuwtje) PHIL · V · D(ei) · G(ratia) · HISPANIAR(um) · ET · INDIARUM · REX (Philips V, bij de gratie Gods koning van Spanje en Indië)

Kz: Het wapenschild van Philips V (Spanje met Frankrijk als hartschild); er rond, het vervolg van de titels van Philips V: DUX · BURGUND(iae) · BRABAN(tiae) · Z · (hertog van Bourgondië, van Brabant, enz.) 17 - 09

Chalon, 248-250; Van Gelder en Hoc, 372.

Spanje en de Spaanse Nederlanden 1700-1711

In het jaar 1700 stierf Karel II, 37 jaar oud en kinderloos. Dit was niet speciaal een verrassing; het was eerder verwonderlijk dat hij zolang was blijven leven. Hij was ziekelijk van bij zijn geboorte en alle Europese vorstenhuizen waren al jaren aan het hopen op een stuk van de erfenis, want er viel véél te erven. Karel II was meester van het huidige België, het grootste gedeelte van Latijns-Amerika, de Filippijnen, de Canarische Eilanden, Sicilië, Sardinië, Napels, Milaan en Noord-Afrika. Ondanks deze indrukwekkende opsomming was het al een eeuw bergaf aan het gaan met het Spaanse rijk. Er werd niet meer geregeerd en er was geen cent meer in kas. Toch kon deze ganse erfenis nog altijd het Europees politiek evenwicht verbreken.

Karel II had veel last gehad om een gouverneur te vinden voor de Spaanse Nederlanden, dat het grondgebied van het huidige België en van Luxemburg omvatte. De nieuwe gouverneur, Maximiliaan-Emmanuel, was zelf keurvorst van Beieren. Deze eigenaardige benoeming was het gevolg van ingewikkelde manoeuvres van de schoonvader van de nieuwe gouverneur, keizer Leopold I van Oostenrijk, die zoals iedereen een oogje had op de Spaanse kroon. Het kwam er op aan zijn schoonzoon in een gunstige positie te stellen om de Spaanse Nederlanden op het goede moment mee te pikken. Hij stond zelf goed geplaatst om de Spaanse kroon weg te kapen, niet voor hemzelf, maar voor zijn kleinzoontje. Karel II had namelijk zijn rijk bij testament aan dit kind overgemaakt. Het stierf echter een jaar voor Karel II en deze moest dus een nieuwe erfgenaam zoeken. De keuze viel op de kleinzoon van de koning van Frankrijk, Philips van Anjou, een jongeman van 17. Lodewijk XIV was eerder verrast door deze beslissing van zijn oude vijand. Toch was deze keus niet zo verwonderlijk; Lodewijk XIV had zich aan alle Europese hoven immers een reputatie opgebouwd van doeltreffend organisator.

Dat hij met zijn oorlogen en zijn prestigepolitiek zijn land aan de rand van het failliet had gebracht leek in die kringen minder belangrijk. Na enige aarzeling – omdat hij wist dat de andere mogendheden nooit zouden aanvaarden dat Frankrijk en Spanje één groot blok gingen vormen – aanvaardde hij tenslotte toch voor zijn kleinzoon de erfenis. Philips behield zijn rechten op de Franse kroon, waardoor een vereniging van beide koninkrijken mogelijk werd. Het was duidelijk dat de timide Philips niet veel in de pap te brokken zou hebben. Hij werd enthousiast in Spanje onthaald en besteeg er de troon als Philips V. De bevolking stelde hoge verwachtingen in de nieuwe vorst: te hoge, aangezien er ongeveer mirakels nodig waren om het land uit de chaos te halen. Philips mocht zelf niets beslissen: de Spaanse politiek werd volledig gedicteerd vanuit Versailles.

Lodewijk XIV huwelijkte hem uit aan Marie-Louise, de dochter van de hertog van Savoye. Ze was pas 14, maar ze had persoonlijkheid en zou Philips domineren. Lodewijk XIV “verkreeg” van zijn kleinzoon dat hij vrij mocht beschikken over de Spaanse Nederlanden. Hij schonk Gelderland en Limburg aan Maximiliaan-Emmanuel

van Beieren, tezamen met de titel van erfelijk gouverneur der Nederlanden. Deze laatste had namelijk in de ondertussen uitgebroken Spaanse Successieoorlog partij gekozen voor Philips V, en dus tegen zijn schoonvader. In 1703 sloot Lodewijk XIV een verdrag met Maximiliaan-Emmanuel waardoor deze de ganse Spaanse

Nederlanden kreeg. Philips V werd ondertussen echter door de geallieerden uit Vlaanderen en Brabant verdreven en behield enkel Namen en Luxemburg. In Spanje moest het koningspaar bovendien inderhaast uit Madrid vluchten voor de oprukkende Engelse troepen; ze dienden hun juwelen naar Frankrijk te sturen om aan geld te geraken, zo slecht was de toestand. Er werd een staatslening van vier miljoen escudos uitgeschreven met het zilverwerk, dat in grote hoeveelheden in de Spaanse kerken aanwezig was, als pand. Zo kon het land terug wat op adem komen. Lodewijk XIV had eveneens enorme sommen aan de oorlogvoering besteed en kon niet langer verder. Hij wilde de zaak gewoon stoppen en probeerde Philips V te overhalen vrijwillig troonsafstand te doen, deze weigerde echter. Tenslotte kreeg Maximiliaan-Emmanuel op 26 mei 1711 wat er nog overbleef van de Spaanse Nederlanden. Bij de vrede van Utrecht in 1713 werd overeengekomen dat de Spaanse gebieden van Italië en de Nederlanden aan de Oostenrijkse keizer Karel VI zouden worden toegewezen. Maximiliaan-Emmanuel mocht echter Namen en Luxemburg behouden tot zijn eigen land Beieren, dat door de Oostenrijkers bezet was, zou ontruimd zijn. Dit gebeurde tenslotte in 1714, waarna Oostenrijk de controle over de ganse Spaanse Nederlanden overnam.

De Munt

Zoals gezegd had Maximiliaan-Emmanuel zich in Namen teruggetrokken. Hij beschikte daardoor niet meer over de muntwerkplaats van Antwerpen en besloot een nieuw atelier op te richten. De muntmeester was Gerard Raymond, de particuliermeester Henri Van Soest. Deze huurde een huis dat aan een zekere Henri d'Heur toebehoorde. Het lokaal waar de smelterij moest worden ingericht was te donker en daarom vroeg Van Soest aan het stadsbestuur toelating om een venster te maken dat op de tuin van het stadhuis uitgaf. De toelating werd door de schepenen op 9 april 1709 verleend zodat we kunnen veronderstellen dat de productie nog een tijd later op het jaar aangevangen is. Als muntteken van het atelier werd een leeuwtje gekozen. Numismaten verwarren dit soms wel met het muntteken van Brugge (dat eveneens een leeuwtje was in een iets latere periode, tussen 1744 en 1754). Het aantal oorden dat er werd geslagen is niet gekend. Wel weten we dat een gewicht van 214.508 mark en 4 ons koper (meer dan 50 ton) tot oorden en dubbele oorden verwerkt werd. Deze stukken zijn volgens de titels van de koning in feite Brabantse munten. Omdat ze buiten het hertogdom geslagen werden zou men ze als noodmunten kunnen beschouwen. Toch bezitten ze veel meer het karakter van hagemunten. Kopermunt slaan wierp immers een grote winst af: het verschil tussen de waarde waaraan de munt werd uitgegeven en de kosten van het metaal + de fabricatiekosten. Vermits de Naamse oorden lichter waren dan die van Karel II werd er ook nog wat op het metaal gewonnen. Deze stukken waren hoofdzakelijk bestemd om massaal in Brabant in omloop te worden gebracht, waar de Oostenrijkers meester waren. Dit betekende dus een verlies voor de Oostenrijkers. De munten werden met ganse tonnen te Waver overgemaakt aan Brusselse tussenpersonen. De productie van dit kopergeld veroorzaakte groot protest in de door Oostenrijk bezette gebieden en leidde er tot verschillende verordeningen die moesten verhinderen dat het in de Oostenrijkse zone zou worden ingevoerd. Philips V had, wat de oorden betrof, gewoon het type van zijn voorgangers Karel II en Philips IV voortgezet (deze laatste had het type van de oord met de drie schildjes gecreëerd in 1626). Er bestaan drie varianten van dit stuk:

  1. Datum bovenaan (1709-1710)
  2. Datum naast het schild en keerzijdeomschrift begint bovenaan (1710)
  3. Datum naast het schild en keerzijdeomschrift begint onderaan (1710)

Bij gebrek aan edel metaal werd te Namen praktisch geen zilver (in totaal 3.624 patagons en 45.605 schellingen) en in het geheel geen goud op naam van Philips V aangemunt.

Om de Brabantse muntverordeningen te omzeilen werd in 1709 en 1710 zelfs een grote hoeveelheid oorden geslagen op naam van Karel II, met de datum 1692 en het muntteken van Namen (de Witte, p. 244, fig. 44), wat regelrechte valsmunterij was. Deze massale productie van kopergeld speelde ook in op een speculatie op de pasmunt, die de vraag spectaculair deed stijgen. De speculateurs verwachtten namelijk dat de koersen van de zilveren en de gouden munten, die verschillende malen waren opgewaardeerd, na de definitieve nederlaag van Philips V en de Fransen zouden terugvallen tot het niveau van voor 1701. Voor de pasmunten was geen koersverhoging toegepast zodat hiervoor dus geen koersverlaging verwacht werd. Spijts de heersende schaarste aan pasmunt wegens de massale vraag verbood de Oostenrijkse regering in 1709 alle vreemde oorden. Deze maatregel faalde, mede door de moeilijkheid om de oorden van Karel II van die van Philips V te onderscheiden. In 1712 besloten de Oostenrijkers tot een nieuwe en drastische maatregel: alle oorden werden ingetrokken en vervangen door een nieuw type, met de buste van Karel VI op de voorzijde en drie ineengestrengelde C's op de keerzijde. Maximiliaan-Emmanuel sloeg intussen geen munten meer op naam van Philips V. Sedert zijn benoeming door Lodewijk XIV tot vorst der Nederlanden gebruikte hij zijn eigen naam. Hij was natuurlijk oorden blijven slaan van hetzelfde type als die van Philips V, doch hij had natuurlijk wel de wapenschilden moeten vervangen. Toen het nieuwe oord van Karel VI in omloop kwam sloeg de monetaire situatie helemaal om. De oorden, die in Brabant niet konden worden ingewisseld, vloeiden massaal terug naar Namen. Maximiliaan moest dan ook hals over kop zijn eigen oorden, en deze die hij op naam van Philips V had laten slaan, intrekken en vervangen door een nieuw type, dat natuurlijk als twee druppels water geleek op dat van Karel VI. Men moest de teksten kunnen lezen om ze van elkaar te onderscheiden.