De man van het zwarte goed
Aan de muur rondom de archeologische site Klooster O.L.V. Ter Riviere
Op het einde van de achttiende eeuw leefde in Bree een schaliedekker die er wat geloof betreft nogal rare ideeën op na hield. Raar, omdat in die tijd de Katholieke kerk in Bree en omstreken het gezag uitmaakte en elke burger als een diepgelovige zich richtte tot het kerkelijk gezag. Onze schaliedekker hield er andere ideeën op na; hij geloofde niet in God, had lak aan het gezag van de kerk en verborg zijn levenswandel voor niets of niemand. Menigeen dacht zelfs dat hij een aanhanger van de duivel was. Zijn handeltje draaide daarom maar op een laag pitje. Slechts in uiterste nood werd er eens beroep op hem gedaan, voor de rest was hij een trouw bezoeker van menige herberg.
De komst van de Fransen in 1796 was voor hem als het ware een geschenk uit de hemel. De scheiding van kerk en staat, het burgerlijk gezag, het confisqueren van kerkelijke bezittingen was voor hem alsof zijn droom werkelijkheid werd. Hij werd de vriend van het Franse bewind en zijn orderboekje raakte overvol. Hij was degene die bijvoorbeeld de kruisen van de kerktorens haalde om het ijzer te hersmelten tot munitie voor het Franse leger.
Hij kreeg naam en faam als de man van het zwarte goed; voor hem toentertijd het zwarte goud. Tot hij in 1808 van Alexander de Borman, vrederechter in Bree, en Jan Brouwers, keizerlijk notaris in Tongerlo, beiden sinds enkele maanden tevoren eigenaars van het domein, de opdracht kreeg om het Klooster van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Riviere tot in de fundamenten af te breken. Voor die opdracht kreeg hij zes maanden de tijd.
Maar, een kruis van een toren halen nog tot daar aan toe, maar een gewijde plek, een gewijd klooster tot in de funderingen afbreken, daar moest onheil van komen. Het werk vorderde van geen kanten. De brave man kreeg af te rekenen met allerlei tegenslagen. Een handlanger kwam terecht onder brokstukken van een gevel en brak beide benen. Een ander kreeg glassplinters in zijn ogen bij het kapotslaan van de vensters en werd blind aan één oog. Een derde verloor een hand toen hij het altaar van de kerk probeerde kapot te slaan en een vierde kreeg het gewelf van kerk op zich toen het instortte; hij stierf ter plaatse.
In 1810 verkocht Brouwers zijn deel van de eigendom aan de Borman, die nu volle eigenaar werd van het kloosterdomein. Hij gaf zijn sloper respijt maar, in 1816, 8 jaar na het begin van de afbraakwerken, die op 6 maanden geklaard hadden moet zijn, was het genoeg geweest. De sloper en de eigenaar waren tot inkeer gekomen. In alle tegenslagen zagen zij de hand Gods en bijna als moegestreden soldaten staakten zij de verdere afbraak van het klooster.
Uit respect voor het verleden werden op de plaats waar het koor van de kerk was vier lindebomen geplant. Deze bomen staan er nog steeds. Het terrein zelf werd verder uit eerbied voor de gewijde grond ongemoeid gelaten en bleef tot in 1950 braak liggen achter de muren van het oude klooster.
Waar of niet waar?
