De rattenvanger van Bree

Aan de brandsteen in de Opitterstraat (tussen nr. 10 en 12)

Bree werd op tijd en stond deels in de as gelegd door grote stadsbranden. Dergelijke branden zijn gekend en beschreven in 1375, 1601, 1616, 1697, 1699, … Allerlei maatregelen werden uitgevaardigd doch het hielp slechts in beperkte mate. Eén van de meest tot de verbeelding sprekende branden vond plaats in 1697. Liefst 70 huizen werden in de as gelegd. De brand trof ongeveer heel het zuidelijk deel van de stad gaande van het Refugiehuis van de abdij van Postel tot een groot deel van de Opitterstraat. De hitte van de brand was ondraaglijk en er werd gevreesd dat heel Bree in as zou ten ondergaan.

Het noordelijk deel van de stad kreeg af te rekenen met een ware rattenplaag. Veel inwoners van de stad bewaarden immers op hun zolder granen en andere voedingswaren waaraan muizen en ratten zich te goed deden. De rattenvlucht was zo erg dat, via mondelinge overleving en opgetekend in de volksverhalenbank, al wie over straat liep zich moest reppen om niet door ratten en ander ongedierte gebeten te worden. Rattenbeten konden dodelijk zijn; menige uitbraak van de zwarte of builenpest was immers te wijten aan ratten die als dragers van deze vreselijke ziekte de zwarte dood doorheen het land voerden.

Paniek heerste onder de mensen, huilende kinderen werden de stad uit gebracht en met man en macht werd met lederen emmers water uit de stadsgraaf aangedragen om het vuur te blussen. Enkel de moedigste mannen durfden in de rij te gaan staan om de emmers water door te geven. De rattenvlucht bemoeilijkte het aandragen van het water waardoor menige emmer op de straat belandde nog voor het water in het vuur kon gegooid worden. Niets hielp

Gelukkig hield pastoor Smeyers het hoofd koel, als een ware rattenvanger van Hamelen trok hij door de stad. Met de armen vooruit droeg hij als een ware strijder Gods het H. Sacrament door de straten en als bij wonder kozen de ratten de Gerdingerpoort en de Nieuwstadpoort als vluchtwegen in plaats van de huizen in te trekken. Toen pastoor Smeyers, ondanks alle waarschuwingen van de inwoners van de stad, met zijn monstrans naar de Opitterstraat trok, doofde ook het vuur en kwam een einde aan een zwarte dag uit de Breese geschiedenis.

Eén steen in de zijgevel van een huis in de Opitterstraat, herinnert aan deze vreselijke dag. Vertaald luidt de tekst: Jan (Joannes) Jansen heeft mij heropgebouwd anno 1698, de 10de juni. De Heer maakt ons arm en rijk.

Waar of niet waar?