Gouden ring met tafeldiamant
Lokatie
- Geelgouden ring waarvan de piramidale kas is bezet met een tafel geslepen diamant. De kas uitgevoerd als een klavertje vier waarvan de blaadjes aan de lange zijden zijn verdeeld door boogjes. Onderaan langs de rand een decoratie van gegraveerde lijntjes.
- De schouders gedecoreerd met geciseleerde lijntjes die elkaar in ruitvorm kruisen.
- Op de hoepel van de ring een ingestempelde 'B'.
- Dm: binnenzijde 15,1 mm, buitenzijde 17,9 mm
- De ring is klein van doormeter maar is geen kinderring. Hij past aan een slanke vrouwenhand.
- West-Europa, 1580-1600
- Vindplaats: Bree, Klooster O.L.V. Ter Riviere, Sector II, sleuf 2. Vlak naast de straat op gelijke hoogte met het straatniveau, ca. 70 cm onder het maaiveld. Bodem: grijs zwarte aarde met baksteenresten, veldkeien, aardewerk. Iets hogerop werd een munt (koperen oord/liard) gevonden van Philips V, gedateerd 1710.
Typisch voorbeeld van een renaissance ring uit de tweede helft van de 16de eeuw
Deze geelgouden ring met tafeldiamant is een zeer typisch voorbeeld van een renaissance ring uit de tweede helft van de 16de eeuw.
Het typische renaissancejuweel uit de 16de eeuw is een levendige combinatie van veelkleurige edelstenen, parels en email in contrast met geel goud. Tijdens de 17de eeuw maken ze plaats voor monochrome sieraden in geel goud bezet met de satijnachtige glans van tafel- en roosgeslepen diamanten of de warme gloed van edelstenen. Ook de motieven en de vormentaal veranderen dan volkomen. Mythologische, religieuze en maritieme motieven maken plaats voor florale en bladmotieven. Het juweel verliest dan geleidelijk aan een groot gedeelte van zijn symbolische en figuratieve betekenis en wordt essentieel een decoratief object met als belangrijkste waarde het onthullen van de rijkdom en de status van zijn drager. In die eeuw verschijnt ook voor het eerst het echte diamantjuweel.
Uiteraard is deze overgang niet bruusk verlopen. Deze ring vormt een typisch voorbeeld van een ring uit de overgangsperiode tussen de veelkleurige periode uit de 16de eeuw en de versobering in de 17de eeuw.
Hij bezit de zeer kenmerkende hoge, piramidevormige kas die, van bovenaf gezien, gedecoreerd is als een klavertje vier. Het feit dat het bladmotief aan de lange zijden is verdeeld door twee boogjes en de kas onderaan nog extra gedecoreerd is met gegraveerde lijntjes, plaatst de ring meteen al na 1540, getuige dit citaat van ringspecialiste bij uitstek, Diana Scarisbrick: "Hoewel altijd symmetrisch, werden de kassen beschouwd als bloemen -vierbladig, zesbladig, veelvoudig- en vanaf 1540 werden de blaadjes onderverdeeld met boogjes en verder decoratief verrijkt." (Scarisbrick, Rings... p. 241)
De verder eerder sobere uitvoering van de schouders en hoepel verfijnt nog de datering en plaats de ring eerder in de laatste decennia van de 16de eeuw.
Dan maken de zware, barokke ringen, zo kenmerkend voor het hoogtepunt van de renaissance, plaats voor lichtere types en wordt het veelkleurig email vervangen door eenvoudig wit of zwart email aangebracht in geciseleerde groeven. Hoewel er weinig of geen sporen van email zijn bewaard, wijst alles erop dat ook deze ring gedecoreerd is geweest met zwart groevenemail.
Slijpvorm: tafeldiksteen
De slijpvorm van de diamant op zich draagt weinig of niet bij tot een meer precieze datering. Het is een typisch voorbeeld van een tafeldiksteen, een slijpvorm die zowel voorkomt in de 15de als de 16de eeuw.
Tot de 18de eeuw kwamen alle diamanten uit India en Borneo. Daar werd de diamant niet of nauwelijks geslepen vanuit een diepgeworteld respect voor zijn intrinsieke waard. De diamant werd door de Indiërs gewaardeerd om zijn mystieke schoonheid en zijn magische kracht: een diamant verleende kacht en 'onoverwinnelijkheid' (= adamas in het Grieks) aan zijn koninklijke drager en behoedde hem tegen allerlei onheil. "Hij die een diamant draagt, zal het gevaar zien wijken, of hij nu bedreigd wordt door slangen, vuur, vergif, ziekte, diefstal, overstroming of kwade geesten", beweert de Ratnapariksa.
Vanuit deze overtuiging is het dan ook niet verwonderlijk dat, tot de komst van de Europeanen, er nauwelijks aandacht werd geschonken aan de slijptechnieken: het slijpen van de steen zou immers afbreuk kunnen doen aan zijn magische kracht.
Deze opvatting werd overgenomen in de antieke oudheid en zo werd deze talisman omwille van zijn speciale eigenschappen ook bij Grieken en Romeinen in zijn ruwe, ongeslepen vorm in een ring gezet.
In de tweede helft van de 14de eeuw wordt echter de techniek van het diamant slijpen ontwikkeld in Noord-Italië: ofwel in Venetië, Genua of Firenze, de steden die het monopolie bezaten op de invoer van edelstenen uit India. Vanaf ten vroegste het laatste kwart van de 14de eeuw waren ook diamantslijpers werkzaam in Parijs.
Een diamant wordt vanaf dat moment doelbewust bewerkt om zijn speciale schittering tevoorschijn te toveren zodat niet alleen zijn magische krachten maar ook esthetische motieven een rol gaan spelen.
Vermits de symmetrische octaëder -een mooie maar zeldzame vorm van ruw- door de Indiërs beschouwd werd als de meest perfecte vorm, waren, volgens Herbert Tillander, de eerste geslepen diamanten eerder omvormingen van onregelmatig ruw tot piramidale diamanten of puntdiamanten. Zo werden, eerder door polijsten dan door slijpen, de octaëders verkregen die omwille van hun zeldzaamheid en hun bijzondere waarde in Indische koninklijke handen bleven en nooit Europa bereikten. Deze puntdiamanten werden gezet met één deel van de octaëder volledig verborgen in de zetting zodat één punt naar boven wees.
Daarnaast ontstonden reeds zeer snel op het einde van de 14de eeuw de tafelslijpsels: een diamant met een diepe of ondiepe paviljoenzijde, een grote tafel en een klein collet, vier facetten aan de bovenkant (=tafelzijde) en vier aan de onderkant (=paviljoenzijde). Dit werd de meest gangbare diamantslijpvorm in de 15de eeuw en 16de eeuw, naast enkele andere variaties. Zo ook gezet in deze ring.
Tijdens de overgang van de renaissanceperiode naar de barok verloor de tafeldiamant veel van zijn aantrekkingskracht. Door de opkomst van de hofbals en andere avondlijke festiviteiten was er een voorkeur ontstaan voor diamanten die konden schitteren bij kaarslicht. De puntdiamant en de tafeldiamanten konden aan die vraag niet voldoen en zo kwam in de loop van de 17de eeuw de roos op de markt, gevormd uit plat ruw of een restant dat overbleef na het kloven, zonder paviljoen. Ze werden geslepen met 3, 6, 12, 18 of 24 facetten, afhankelijk van de grootte van het ruw. De schittering moet zo opvallend geweest zijn dat meer en meer dames ook hun tafeldiamanten wensten te herslijpen om deze schittering te kunnen evenaren.
Functie
De ring uit deze opgraving kan zowel een decoratieve liefdesring geweest zijn als een trouwring. Vele huwelijkscontracten werden van oudsher afgesloten door de symbolische overhandiging van een ring met een edelsteen. Omwille van zijn hardheid nam de diamant hierbij een speciale plaats in.
Een eerste aanwijzing dat een diamantring als trouwring werd gebruikt vinden we terug in een manuscript met 32 miniaturen, nu bewaard in het Vaticaan, dat het huwelijk tussen Costanzo Sforza en Camilla d'Aragona in Pesaro op 25 mei 1475 verhaalt. Eén van de miniaturen schetst Hymen, de jonge god van het huwelijk, gekroond met rozen en gekleed in een tuniek gedecoreerd met vlammen en diamantringen met puntdiamant. Hij staat voor een altaar waarop twee brandende toortsen worden verbonden eveneens door een grote diamantring met puntdiamant. Het bijhorende vers gaat als volgt:
Twee toortsen in één ring van brandend vuur.
Twee willen, twee harten, twee passies
worden verbonden in een huwelijk door een diamant.
Dit had zo'n impact dat vanaf de 16de eeuw de diamantring het juweel bij uitstek werd voor de meer begoeden om de eeuwige trouw te symboliseren die tijdens de huwelijksgelofte wordt uitgesproken. Een gebruik dat pas wijzigt op het einde van de 19de eeuw wanneer de verlovingsring in voege komt en het luxueuze karakter van de trouwring overneemt. De trouwring wordt vanaf dan vervangen door de eenvoudige symbolische band die nu nog steeds ritueel en symbolisch wordt uitgewisseld.
Voor de ingestempelde 'B' kan geen eenduidige verklaring worden gegeven vermits dit geen courante gewoonte was. Mogelijk verwijst het naar de schenker. In elk geval zeker niet naar de vervaardiger zoals later gebruikelijk werd.
Hoewel het niet zeker is dat deze opgegraven ring effectief een trouwring was, symboliseert hij zeker, door zijn rijkdom, een zeer bijzondere liefdesband of minstens een bijzondere loyaliteit tussen de gulle schenker en de dame die hem om haar vinger mocht dragen.
Sabine Denissen
Bronnen
- Sabine Denissen, De geschiedenis van het diamantjuweel, Museumcatalogus, Diamantmuseum Provincie Antwerpen, 2002, ISBN 90-6625-038-0
- Sabine Denissen, De barok en het hedendaagse diamantjuweel, Tentoonstellingscatalogus, Provinciaal Diamantmuseum: 5 juni t/m 29 augustus 1999.
- Diana Scarisbrick, Rings. Jewelry of Power, Love and Loyalty, Londen (Thames & Hudson Ltd), 2007, ISBN 978-0-500-51364-4
- Herbert Tillander, Diamond Cuts in Historic Jewellery, 1381-1910, Londen (Art Books International), 1995

